De Aarde en haar levensvormen

Gedurende het schooljaar 1958-1959 zat ik in de tweede klas van de HBS op het Christelijk Lyceum voor Zeeland. Van geld dat ik kreeg voor mijn dertiende verjaardag (31-12-1958) kocht ik bij de boekhandel in Goes een tweedelige Prisma pocket voor een rijksdaaalder (ƒ 2,50):

Het was de Nederlandse vertaling van een boek van Gustav Fochler-Hauke und Helmut Bibow:
“Am Anfang schuf Gott Himmel und Erde” (1956)

Mijn aardrijkskundeleraar, de heer Switters, was een goede verteller. Aanschouwelijk liet hij zien hoe bergen zijn gevormd. Hij had een gerimpelde appel meegenomen als model van de Aarde. Volgens hem was de Aarde gekrompen omdat deze langzaam afkoelde. Bij krimp komen er rimpels in de aardkorst, net zoals een oude appel krimpt en rimpelt. Hij deed zijn colbertjasje uit en legde dat op tafel. Door zijn jas aan één kant op te duwen en aan de andere kant vast te houden, liet hij zien hoe rimpels ontstaan en ook weer over elkaar heen kunnen rollen. Net zoals aardlagen soms over elkaar heen zijn gekruld.

Zijn verhaal werd bevestigd door wat ik in dit boek las (deel 1, blz 92). De meest gangbare theorie over gebergtevorming in de vijftiger jaren van de vorige eeuw was nog steeds de oude ‘contractietheorie’ van Dana (On the Origin of Mountains, 1873) en Suess (Die Entstehung der Alpen, 1875), die de heer Switters aanschouwelijk had verduidelijkt. Maar dit boek noemt ook een andere theorie, die van Ampferer (1925), “volgens welke de oorzaken van de vorming der plooiingsgebergten in stromingsprocessen in het magma gezocht moeten worden, in uitwisselingsprocessen tussen sial en sima, waarop tenslotte ook de verschuivingstheorie van de continenten volgens Wegener berust“.
De oceaanbodem bestaat voornamelijk uit silicium en magnesium (SiMa, basalt). De continenten bestaan voornamelijk uit silicium en aluminium (SiAl, graniet)

Bron: Otto Ampferer, “Über Kontinentverschiebungen”, Naturwissenschaften 13, 673 (1925)

Alfred Wegener had al in 1912 opgemerkt dat de vorm van Zuid_Amerika en die van Afrika mooi op elkaar aansluiten. Alsof ze ooit tegen elkaar aan hebben gelegen en uit elkaar zijn gedreven.

Maar dat uiteen drijven was in strijd met de contractietheorie.

Onze aardrijkskundeleraar zal het wel moeilijk hebben gehad met de theorie van Wegener, want hij moest als leraar op een christelijke school al weerwoord geven tegen opvattingen dat de Aarde volgens de Bijbel niet ouder kon zijn dan zo’n 6000 jaar. Dat sindsdien de Aarde iets was afgekoeld en gekrompen, ging er als verklaring beter in, dan een verhaal over continenten die duizenden kilometers zijn verschoven na de Schepping op 22 oktober 4004 voor Christus. Zo snel had het vast niet kunnen gaan.

In 1958 was ik nog erg verlegen en haalde het niet in mijn hoofd een leraar tegen te spreken. Maar ik dacht er wel het mijne over: “Ik speur zelf wel verder in boeken naar wat ‘waar’ is”.

En dit was een goed boek. Het liet duidelijk zien waar onzekerheden lagen, welke waarheden onomstreden waren en welke ‘waar’-nemingen nog lang niet eenduidig waren verklaard.

Zo begon mijn zoektocht naar de kennis over de Aarde en haar levensvormen op een moment dat nog niet bekend was hoe lang die Aarde bestond. Maar in de wetenschap was men het er inmiddels over eens dat dat minstens een paar miljard jaar zou moeten zijn. Nauwkeurige meetmethoden om de ouderdom van gesteenten te bepalen moesten in de vijftiger jaren nog worden ontwikkeld. Dus er was nog veel onzeker en speculatief.

De Geologische Tijdschaal 65 jaar geleden (Klik voor vergroting)